Een burger die de portemonnee van zijn buurman leeghaalt, is een dief.
Een politicus die hetzelfde doet met een wet, een slogan en een meerderheid, heet staatsman.
Dat is de grootste morele zwendel van onze tijd. Het achtste gebod geldt voor de man met de breekijzer. Voor de man met de ministeriële stempel hebben we een ander woordenboek bedacht: solidariteit, rechtvaardigheid, tax the rich. Zolang het afpakken door de juiste mond wordt uitgesproken, is het geen diefstal meer. Dan is het beleid.
Onzin.
Gij zult niet stelen is geen etiquetteregel voor burgers die te weinig macht hebben om het netjes te organiseren. Het is een grens. Wegnemen wat van een ander is, blijft wegnemen. Of je het nu in een steeg doet of in een coalitieakkoord.
Gij zult niet begeren zit daarvóór. Eerst het oog op andermans huis, andermans spaargeld, andermans bedrijf. Daarna de stem. Daarna de wet. Wie denkt dat hebzucht ophoudt bij het Binnenhof, heeft nooit een begroting gelezen.
Politici zijn geen hogere soort mens. Ze zijn burgers met een microfoon en een ambtsketen. Ze willen herkozen worden. Ze willen aanzien. Ze willen dat de staat groeit, want de staat is hun winkel. En een winkel die mag uitdelen met andermans voorraad, vindt altijd een moreel verhaal.
Het recept is oud en werkt nog steeds. Haal vijfhonderd euro weg bij iemand die werkt. Hij scheldt, maar hij is slechts één stem. Geef vijf mensen honderd euro. Zij komen opdagen. Dat is geen socialisme uit leerboeken. Dat is rekenkunde. Links doet het met uitkeringen en “de rekening bij de rijken”. Rechts doet het met subsidies en fiscale cadeaus voor de eigen achterban. De hebzucht wisselt alleen van doelwit.
Tax the rich klinkt als deugd. Op een bepaald punt is het echter het tiende gebod met een campagneslogan erop. Niet: dit hebben we nodig voor rechter, dijk en politie. Wel: zij hebben te veel, wij hebben recht op hun deel. Begeren, verpakt als moraal.
En dan komt het achtste.
Want de échte rijken zijn vaak al weg voordat de slogan is uitgesproken. Holding, box 2, adviseurs, vermogen dat niet op een loonstrook staat. Wat blijft staan is het middenkader. De leraar met spaargeld. De ondernemer zonder eiland. De erfgenaam van een rijtjeshuis. Die krijgt de rekening gepresenteerd. Stel je hebt iemand met een kilo goud die na twintig jaar nog steeds een kilo goud heeft. Die is niet rijker geworden. Maar hij mag wel afrekenen over de euro’s die minder waard werden, zodat het goud 'meer waard' geworden is.
Eerst maakt de overheid het geld minder waard.
Dan noemt ze jouw poging om bij te blijven “winst”.
Dan belast ze die winst.
Dat is geen heffing op voorspoed. Dat is twee keer aankloppen bij hetzelfde bezit. Eerst stiekem, via inflatie. Daarna openlijk, via box 3, erfbelasting, eigenwoningforfait. Dezelfde euro als loon, als spaargeld, als huis, als erfenis. Alsof vermogen nooit van jou is geweest, alleen in bruikleen bij de schatkist.
En ondertussen het decor: een door de politiek zelf ingesteld college dat na de verkiezingen netjes adviseert: bewindslieden vijftien procent erbij in drie jaar, lokale bestuurders tot achttien procent erbij.
Dat is geen bewijs dat iedere minister een dief is. Belasting voor echte publieke taken is geen inbraak. Het kantelpunt ligt waar de heffing ophoudt een bijdrage te zijn en een buit wordt. Waar het verhaal niet meer is: we moeten dit samen dragen, maar: zij hebben het, pak het van hen.
Dat geldt voor de politicus die de afgunst organiseert als hun stemmers.
Dat geldt óók voor de kiezer die hem beloont met zijn of haar stem.
Wie stemt om bij de buurman weg te halen wat hij zelf niet heeft opgebouwd, kan niet meer doen alsof alleen “Den Haag” zondigt. Het tiende gebod begint in het hart. Het achtste wordt afgewerkt in het stemhokje. De politicus levert de wet. De meerderheid levert het alibi.
Zeg dat hardop en je krijgt het gebruikelijke koor. Dat je hardvochtig bent. Dat je de zwakke laat stikken. Dat eigendom egoïsme is. Mooi. Dan weten we waar we staan. Wie vindt dat de staat in beginsel recht heeft op alles wat burgers hebben opgebouwd, moet dat durven zeggen — niet verstoppen achter “de rijken”. Wie vindt dat stelen stelen blijft, ook met een wet eromheen, moet dat ook durven zeggen — ook als de buit naar een groep gaat die je om wat voor reden dan ook zielig vindt.
De burger mag niet stelen. De overheid ook niet. De kiezer die de overheid inhuurt om andermans bezit weg te graaien, al helemaal niet.
Zo, dat moest ik even kwijt.













